|
Dit blad afdrukken
Internationaal bedevaartsoord en heiligdom van de maagd Maria.
De esplanade en de buitenomgeving zijn bijna steeds toegankelijk tussen 9u en 19u. Het sanctuarium is veelal open van 10u tot 14u en van 16u tot 19u. Op geregelde tijdstippen zijn er eucharistievieringen, o.a. dagelijks om 13u00, op welk ogenblik met het heiligdom niet kan betreden.
In het bedevaartsoort komt men enkel binnen in 'voorname' kledij, o.a. heren dragen een lange broek, dames hebben geen decolleté.
Ligging
Het bedevaartsoord van Torreciudad ligt in het midden op de as van de Mariaroute Lourdes – Zaragoza (El Pilar). Het bevindt zich op een kleine 20 km van de stad Barbastro in het gebied ‘Somontano’. Het behoort tot het grondgebied van de gemeente Secastilla. Het omgevende landschap bestaat uit een oogverblindend prachtig decor van water en bergen. Vlakbij het bedevaartsoord is eveneens de enorme stuwdam van El Grado zelf te bewonderen. Het domein en de omgeving zijn omhuld door stilte en vrede. "Men zal er komen om te bidden", zei Josémaría Escrivá, stichter van Opus Dei en van het vernieuwde oord, om de maagd te vereren en om Gods wegen te zoeken, niet om hebbedingetjes te kopen.
Geschiedenis
Oorspronkelijk was Torreciudad een Moorse verdedigingsvestiging tegen de Christenen uit het noorden, op de grens van het Arabische grondgebied. Het bolwerk bood uitzicht op de Cinca vallei (waar nu een stuwmeer is). Die oude vesting heette ‘Turris Civitatis’, waarvan Torreciudad (torenstad) is afgeleid. Van de oude vesting rest nu enkel nog de oude cilindervormige toren. Rond het jaar 1084 werden Barbastro en omgeving door de Christenen heroverd op de Moren (reconquista). In hetzelfde jaar bouwden de Christenen er een kapel en begon men er de ‘maagd Maria van Torreciudad’ te vereren. Dankzij een restauratie in 1969 is de oude kapel nog steeds te bezichtigen.
Van oudsher kwamen de bedevaarders vanuit de verst afgelegen plaatsen van de streek, dankzij de bedelmonnikken die al bedelend met een heiligenbeeld de deuren langsgingen, aalmoezen ontvingen en de mensen aanspoorden om naar Torreciudad te gaan. De bescherming van de maagd van Torreciudad was bijzonder tegen stuipen. Stuipen traden vaak op bij hoge koorts bij kinderen tussen 6 maanden en 5 jaar oud, die de bedevaarten in de hand werkten en dit vooral ‘s zomers. Torreciudad telde ook een hoogstaande congregatie (Sp.: cofradía) met zeer veel leden en ook veel privileges, verleend door de Heilige Stoel en in het bijzonder door paus Clemens IV (1600-1669). Vanaf 1950, o.a. op 15 augustus, voor het hoogfeest van Maria-Tenhemelopneming kon de kapel de toevloed aan bedevaarders van over de ganse wereld niet meer aan.
Josemaría Escrivá (afkomstig van het nabije Barbastro) wilde de verering van Onze Lieve Vrouw van Torreciudad verder doen leven, gedreven door zijn liefde voor de maagd en als dank voor zijn genezig op 2 jarige leeftijd. Met de steun van vele mensen werden omstreeks 1956 de nodige formaliteiten op gang gebracht voor het oprichten van het nieuwe heiligdom. De bouw startte in 1970 en het nieuwe heiligdom werd in gebruik genomen op 7 juli 1975.
Gedoctoreerd architect Heliodoro Dols (1933) werd aangesteld tot het bouwen van het bedevaartsoord. Hij ontwierp een juweeltje van baksteenarchitectuur, gelegen op de nabije rotsoever boven het stuwmeer van El Grado (506 m), maar vergat in het oorpsronkelijke ontwerp een esplanade. Hij ontmoette zijn opdrachtgever Josemaría te Rome, waar onmiddellijk de vraag rees 'hoe ga je de duizenden pelgrimsen opvangen zonder een esplanade te voorzien'? Het geheel bestond uiteindelijk uit een esplanade, het sanctuarium zelf met hoge toren en een aantal bijgebouwen. Op de esplanade kunnen tot 40000 bedevaarders een openluchtmis bijwonen. Een groot buitenaltaar staat vlakbij de voet van de hoofdtoren.
Heliodoro combineerde traditionele, plaatselijke Aragonese materialen in een prachtig, hoofdzakelijk bakstenen bouwwerk. Niettegenstaande de speciale, originele vormgeving en de veelvuldige versiering van de wanden, oogt het geheel toch eenvoudig.
Elk hoekje is in detail uitgewerkt. Grote gevels zien er uit als gordijnen met verticale lijneffecten uitgewerkt in baksteen. De structuurbalken en kolommen in beton of staal zijn nergens zichtbaar. Toch herkent de aandachtige kijker achter de bakstenen vormgeving de aaneenschakeling van paraboolvormige bogen, die tegelijk fungeren als draagconstructie.
Er is ook veelvuldig gebruik gemaakt van roze en grijze graniet. Deze zeer harde steensoort werd veelal manueel bewerkt. Als dakbedekking gebruikte hij de holvormige Spaanse dakpan. Tijdens de 5 jarige bouwperiode waren bijna voortdurend rond de 500 werknemers aan het werk.
Het albasten retabel, een waar kunstwerk.
Verschillende onderdelen, waaronder de kruisweg en het retabel zijn echte kunstwerken.
De hoofdbeuk van de kerk geeft uitzicht op een reuze retabel van 9,5 m breed op 14,5 m hoog in gepolychromeerd albast. Een retabel, ook wel altaarretabel is een wand van schilder- of beeldhouwwerk tegen de muur boven een altaar. De voorstellingen op het retabel verwijzen naar de heilige aan wie het altaar is gewijd, in dit geval de maagd Maria.
In Vlaanderen, net als in Spanje, hadden de meeste kerken een retabel, maar velen overleefden de beeldenstorm niet. In Spanje zijn nog vele retabels volledig bewaard.
Het retabel is gemaakt door Juan Mayné Torras, hoogleraar aan de faculteit voor schone kunsten te Barcelona. Het is geïnspireerd op de Aragonese platereske renaissancestijl. Deze stijl ontwikkelde zich rond 1500 in Spanje onder invloed van de Renaissance (16de eeuw).
Het hoofdkenmerk is de uitbundige versiering, die geleek op het smeedwerk van de zilversmid (Sp.: platero = zilversmid).
Dit type retabels werden ook ‘bewaak retabels’ genoemd, door het venster in het midden dat op een zodanige wijze uitzicht geeft op de heiligdomskamer met het Mariabeeld dat het ganse retabel als bewaker ervan dienst doen.
Albast is een zacht bewerkbare transparante natuursteen, overvloedig te vinden in de streek. Albast werd ook gebruikt als vensterglas.
Het retabel bevat langs de buitenkant 7 taferelen uit het leven van de maagd, die in volgorde van links onder in wijzerzin gaan tot rechts onder:
1.- het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth
2.- de aankondiging van de aartsengel Gabriel
3.- de bruiloft van de maagd met Jozef
In het midden bovenaan: de kroning van de maagd.
4.- de aanbidding van de apostelen
5.- de vlucht naar Egypte
6.- de timmermans werkplaats te Nazaret
In het midden de kruisiging. Helemaal bovenaan ondersteunen 2 engelen het schild van Torreciudad.
Het authentieke romaanse Mariabeeld (Zwarte Madonna).
In het retabel staat nog het oorspronkelijke, uit populier gemaakte Onze-Lieve-Vrouwenbeeld van Torreciudad (heiligenbeelden werden in de Middeleeuwen meestal gemaakt in hout, veel later pas in gips). Het is een duidelijk romaans beeldhouwwerk. De goede staat waarin de sculptuur zich bevindt is enkel te verklaren door de zorg voor het beeld door de eeuwen heen. Toch diende het beeld zwaar gerestaureerd te worden in 1974, waarbij de oude verflagen werden verwijderd, stukken hout werden vernieuwd en het beeld een behandeling kreeg tegen de houtworm. Het populieren beeld is nu grotendeels met bladgoud overdekt.
Een Zwarte Madonna is binnen de religieuze beeldende kunst en de Mariaverering een afbeelding of een beeld van een Madonna waarvan het gezicht zwart is doordat het in die kleur werd geschilderd. Zwarte madonna's zijn over het algemeen van het begin af aan zo bedoeld en gaan terug op een zinsnede in de Bijbel, (Hooglied 1,5-6) waar staat "Ik ben zwart maar lieflijk". Dit slaat op de bruid van Salomo, de Koningin van Sheba. De oudste figuren van Zwarte Madonna's stammen uit de romaanse periode. Het bijzondere is dat deze figuur op vele plaatsen bijna gelijktijdig te vinden is. Het is mogelijk dat deze originele Zwarte Madonna's voor het eerst door de Tempeliers vanuit het Midden-Oosten naar West-Europa werden meegenomen. Nog steeds komen zij vooral in Centraal-Frankrijk en in de Pyreneeën voor. Alle Zwarte Madonna's uit deze vroege periode bezitten dezelfde kenmerken:
- De gelaatstrekken, de frontale houding, de stramheid en de mantelplooien beantwoorden volledig aan de romaanse beeldkunst.
- Ze zijn ongeveer zeventig centimeter hoog.
-
Ze zijn rechtop zittend uitgebeeld met grote ogen en rechtuit in de verte starende blik.
-
De handen en vingers zijn buitenproportioneel groot.
-
Het gezicht van het kind ziet eruit als het gezicht van een volwassene.
|